Wie via de Brabantdam richting Sint-Annaplein loopt, merkt aan de linkerkant plots een pleintje, waar de protestantse kerk “Gent-Brabantdam” staat. Die kleine kerk (grote kapel) heeft een mooie klokgevel in laat-renaissance met gotische elementen. Ze werd in 1632 gebouwd door de paters kapucijnen naast hun enkele jaren eerder gebouwde klooster (sporen hiervan nog te zien in de Sint-Kristoffelstraat). De kapucijnen hadden zich daar mogen vestigen enkele jaren na de val van het kortstondige calvinistische bewind te Gent in 1584. Zij hadden er een wolweverij, waar de wollen stoffen voor de habijten van hun ordebroeders uit de hele Nederlanden geweven werden.
Het Franse bewind hief in 1794 hun orde op, waarna de kloostergebouwen als militair magazijn en gevangenis werden gebruikt. Onder Willem I werd de kerk in 1816 aan de protestantse gemeenschap toegewezen en tot op vandaag houdt een deel van de Gentse protestantse gelovigen er zijn erediensten. Door de aanleg van de Keizer Karelstraat rond 1840 verdween het klooster, maar de kerk bleef bewaard. In 1884, toen de Sint-Kristoffelstraat werd aangelegd, werd de oostelijke travee van het eigenlijke kerkinterieur afgescheiden en ingericht als consistoriekamer en dienstwoning voor de dominee. De kerk heeft een mooie wandkeramiek, die ‘De Zaaier’ voorstelt. Aan de andere kant van het schip kan men een namenlijst lezen van alle predikanten, die er dienst hebben gedaan. Voor de rest is de kerk, zoals bij protestanten gebruikelijk, sober ingericht.
Toen de kapucijnen in 1589 naar Gent kwamen, kregen ze het vervallen gebouwencomplex van de volders (vollers) aan de Brabantdam toegewezen. Die hadden daar in 1323 hun godshuis (een liefdadigheidsinstelling voor oude en zieke gildeleden) gebouwd: enkele huisjes en een kapel toegewijd aan Sint-Kristoffel. Het geheel leunde aan bij de Hooi- of Steenpoort, die daar was gebouwd nadat de stad haar gebied in 1254 met ‘Overschelde’ had uitgebreid. De volders mochten gebruik maken van de stadsvolmolen, die tegenover hun godshuis gelegen was. Die molen draaide op het verval tussen de hoger gelegen ondertussen verdwenen Oude Schelde (Oude Scheldestraat!) en de meer oostwaarts gelegen Nederschelde, die pas in de late middeleeuwen met elkaar werden verbonden door de Schepenenvijver, ook wel Capucijnenvaardeken genoemd.
Als gevolg van de strafmaatregelen van Keizer Karel tegen zijn opstandige Gent, verloren de volders in 1540 hun bezittingen gelegen aan de Brabantdam. Op aandringen van de paters en de wolwevers mochten ze de volmolen vanaf 1620 weer in gebruik nemen. In ruil voor het gebruik van het Capucijnenvaardeken dat de paters onderhielden, volden de volders gratis hun laken. Dat ging door tot in 1732, toen de molen een andere functie kreeg. Ruim honderd jaar later zou hij als papiermolen worden gesloopt.
Nog voor de volders woonden op die plek de zakbroeders, die tot de Sint-Jansparochie behoorden. De orde werd in 1269 opgericht in het zuiden van Frankrijk en in een kwarteeuw tijd stichtten de broeders meer dan honderd kloosters, verspreid over een groot deel van Europa. Hun echte naam was “fratres de Penitentia Jesu Christi”, maar omwille van hun schamele kledij werden ze in Vlaanderen ‘broeders van den zacke’ genoemd. Het tweede Concilie van Lyon (1274) wilde echter een einde maken aan de wildgroei onder de bedelorden. De kleinere orden mochten geen leden meer aannemen, zodat ze snel verdwenen. In 1304 deden de laatste zakbroeders aan de Brabantdam afstand van hun grond en klooster ten voordele van het voldersambacht, dat de eigendom enkele jaren later overnam.
Marc Hanson