Historiek van de Gebuurten en Dekenijen

Na de stadsuitbreiding op het einde van de 13de eeuw werd Gent ingedeeld in zeven parochies die op hun beurt verdeeld werden in wijken en verder opgedeeld in gebuurten. In 1738 waren er méér dan 200 door de overheid erkende gebuurten. Ze maakten deel uit van de stedelijke instellingen
De Gebuurte Plotersgracht, oorspronkelijk slechts enkele kernstraten, werd officieel opgericht in oktober 1666 door enkele buurtbewoners onder voorzitterschap van de pastoor van de Sint-Michielsparochie. Ze had een uitdrukkelijk religieus-sociale bedoeling en beoogde de samenhorigheid en de onderlinge bijstand van de buren De Schepenen van de Keure bekrachtigden officieel de statuten.
Het territorium van de gebuurte was strikt bepaald en doorgaans afgebakend van de ene greppe tot de andere greppe (een greppe of greppel was het midden van de straat)
Uit het samenwonen in een fijnmazigheid van straten ontstonden als vanzelf onder de bewoners ongeschreven wetten waarbij wederzijdse hulpverlening en bijstand als gewone burenplicht werd aanzien Ook de stad beoogde een soort dienstverlening naar de bewoners toe waarbij veiligheid en leefcomfort van de buren centraal werden gesteld. Bij onheil, ziekte, brand, overlijden en bij werken die moeilijk door een gezin konden uitgevoerd worden, werd een handje toegestoken. De uitspraak beter een goede buur dan een verre vriend was toen zeker van toepassing.
De gebuurte werd geleid door een deken, gekozen onder de buurtbewoners. Hij was verantwoordelijk voor het handhaven van de orde en het organiseren van een nachtwacht, ook ratelwacht genoemd. De straatverlichting, het herleggen van de kasseien, het reinigen van de straten, het onderhouden van de O.L. Vrouw kapelletjes enz. vielen ten laste van de gebuurte.
De deken leverde ook officiële documenten af, zoals bewijs van goed gedrag, tellingen van het aantal bewoners, opmeten van de graanvoorraad bij de bewoners, en oefende tevens de functie uit van straatvrederechter binnen zijn gebuurte. Naast de deken werkte de dekenin die een sociale rol te vervullen had. De deken benoemde de baljuw als rechtstreekse medewerker en eventuele vervanger. De cnaepevoerde, tegen vergoeding, allerlei karweitjes uit.
 
De gebuurte had ontvangsten: een willecom bij geboorten, bij nieuwe bewoning, bij huwelijk, een intrede in het klooster, een adieu bij verhuis, een doodschuld onderschreven door de erfgenamen enz. De uitgaven waren het gevolg van de aangegane verplichtingen bij het stadsbestuur. Ze bestonden o. a. uit brandweeractiviteiten, wegvoeren van steenslag, leveren van de olie voor de lantaarns enz.
Jaarlijks werden de rekeningen afgesloten en werd het zogenaamd bilan opgemaakt. Was het saldo positief, dan ging men vertieren. Het vertieren omvatte gewoonlijk het organiseren van een feest dat twee tot vier dagen kon duren. De feesten begonnen steeds met een messe van Requiem waarop iedereen, op straf van boete, aanwezig moest zijn. Er werd dapper gegeten en gedronken en 's avonds waren er speelmans ofte violons, zoals het in menig verslagboek is genoteerd
Deze oude instellingen werden met het Franse Bewind in de jaren 1795-1796 afgeschaft. In 1804 richtte Napoleon ze terug op maar de oude tradities gingen verloren. De gebuurtebonden of dekenijen zijn op het einde van de 19de eeuw terug opgericht, maar dan niet meer als officiële instelling. Wel werden ze, na het oprichten in 1902 - nu 100 jaar geleden - een overkoepelend orgaan, Opperdekenij genoemd, als volwaardige gesprekspartners door de stedelijke overheid erkend. Momenteel zijn er zo'n 60 dekenijen actief in Gent waarvan een groot deel commerciële doelstellingen hebben, de overigen stellen zich socio-cultureel op.