BROUWERIJ MEIRESONNE AAN KOEPOORTKAAI/APOSTELHUIZEN (1919 – 1976)
Inleiding
In een eerste deel schetste ik de grote veranderingen tussen Koepoortkaai en Apostelhuizen na de sluiting van de brouwerij Meiresonne (1976). Nu komt de geschiedenis van de brouwerij zelf beknopt (*) aan bod. Ruim een halve eeuw was zij beeld- en sfeerbepalend voor onze buurt, zoals het slachthuis aan de andere kant van Schelde en Visserij dat nog veel langer is geweest voor de Machariuswijk. Meiresonne verschafte werk aan honderden mensen uit de dichte en verdere omgeving en aan tientallen bierhandelaars en caféhouders. Tot in de naburige straten hoorden de bewoners het typisch klinkende geluid van de lege en volle biervaten of van de flessen in de bakken.
De nog zichtbare sporen van het bedrijf zijn gering, maar de brouwerij is een deel geworden van het collectieve geheugen van de buurt, de wijk en de hele stad. De oprichting najaar 2007 van een buurtcomité ‘Meiresonne’ is hiervan een recent sprekend bewijs.
(*) Omdat ik er nog heel veel niet van weet en omdat Ph. Bockstael, die als geen ander de geschiedenis van deze brouwerij kent, ons wellicht binnen een paar jaar aangenaam zal verrassen met een tentoonstelling in onze buurt en een boek over de geschiedenis van Meiresonne. Ik dank hem voor de informatie die hij mij gegeven heeft.
Voorgeschiedenis te Landegem (1871 – 1918)
Na zijn huwelijk richtte August Meiresonne (1843-1913) in 1871 een nieuwe brouwerij op te Landegem. Aan de huidige Brouwerijstraat kocht de jonge brouwer twee grote schuren die hij tot bedrijfsgebouw ombouwde en bij deze nieuwe brouwerij die hij ‘De Hoprank’ noemde liet hij ook nog een ruim woonhuis bouwen. Die aanzienlijke investering kon hij betalen uit de nalatenschap van zijn vader Augustin (1796-1861), erfenis die hij moest delen met zijn zussen Ida en Pauline. Samen hadden deze drie kinderen van Augustin enkele jaren eerder in hun geboortedorp Bellem aan de wieg gestaan van de brouwerstraditie in de familie Meiresonne.
Behalve een bloeiende zaak, had August weldra ook een groeiend en bloeiend gezin. Het echtpaar kreeg elf kinderen, van wie er negen volwassen zouden worden. Brouwer August Meiresonne werd een vooraanstaand man in de gemeente, waar hij schepen werd en korte tijd ook burgemeester. Mettertijd hielpen zijn kinderen hem meer en meer in het typisch landelijke familiebedrijf. Vooral zijn jongste zoon Aimé (1888-1966) paarde inzet aan talent. Bij het overlijden van vader August in 1913 had hij al de feitelijke leiding.
Toen de Eerste Wereldoorlog begon, woonde hij samen met zijn broer Alfred (1877-1935) en zijn zussen Céline (1879-1951) en Anna (1890-1966) in het grote ouderlijke huis te Landegem. Tijdens de oorlog zetten zij de brouwerij verder, samen met enkele arbeiders. Maar in november 1918 bliezen wegtrekkende Duitsers het hele bedrijf op.
Een snelle groei te Gent (1919-1935)
Een nieuwe start te Gent
Tijdens de Eerste Wereldoorlog had de Duitse bezetter het vele brouwerijen knap lastig gemaakt: koper, paarden, een deel van de gerstvoorraad werden vanaf 1917 voor oorlogsdoeleinden in beslag genomen en meer dan duizend brouwerijen werden door de Duitsers verzegeld. Na de oorlog was het aantal brouwerijen in België met 34% gedaald, in Gent met 25%. In de stad zelf (zonder de latere fusiegemeenten) bleven er nog 59 actief. Toen de Meiresonnes direct na de oorlog hun brouwactiviteiten van Landegem naar Gent verplaatsten, leed de brouwerijsector in België nog duidelijk onder de nefaste gevolgen van de voorbije oorlog.
Begin 1919 kocht Aimé Meiresonne 19de-eeuwse brouwerijgebouwen tussen Koepoortkaai en Apostelhuizen, tegelijk met een groot aanpalend huis, waarin de familie haar intrek nam. Aimé bleef de zakelijke leider van het bedrijf, geholpen door zus Céline, zijn rechterhand. Alfred, die in 1919 trouwde met Aline Bekaert, bleef brouwmeester. Ook Edgar (1874-1946), die zich in 1914 als vrijwilliger had gemeld en de oorlogsjaren aan het Ijzerfront had doorgebracht, kreeg na de oorlog een functie in de brouwerij. Ook arbeiders uit (de buurt van) Landegem, bleven in het bedrijf werken.
Een maquette, die vroeger bewaard werd in een van de bureaus van de brouwerij, geeft een beeld van de stoombrouwerij die Aimé in 1919 kocht van Prosper Van Oostende – De Marteleire. Daarmee zette hij een traditie van bijna een eeuw familiebrouwerijen op die plek verder. Het bedrijfsterrein besloeg toen 11a 53ca, maar de uitbreiding zou niet lang op zich laten wachten. Het hoofdgebouw aan de Koepoortkaai had de weduwe van brouwer Damiaan Heughebaert laten bouwen in 1850-’51. In het midden was er een inrijpoort, die naar de gekasseide binnenkoer leidde. Opvallend is de vierkant gemetselde schouw van meer dan twintig meter hoog. (Later zouden alleen nog de betere ronde schouwen worden opgetrokken.)
Om de hoek links lag de Zakkebandstraat, die verbinding gaf met Apostelhuizen een beetje terzijde van de Abeelstraat. Langs die smalle Zakkebandstraat werd een paar decennia later een groot gebouw opgetrokken, waarvan de sierlijke eesttoren met windvaan boven de rest uitstak. Achteraan, met de voorgevel naar Apostelhuizen: het ruime woonhuis van de Meiresonnes, dat van 1855-’56 dateerde. Rechts van het hoofdgebouw lag, haaks op de Koepoortkaai, een langwerpige vleugel uit ca.1900, die zorgde voor de behuizing van de stoommachines.
De keuze van Gent als nieuwe vestigingsplaats voor de brouwerij was goed bekeken. Ondanks de concurrentie in de sector was Gent een stad van ruim tweehonderdduizend inwoners: een interessante afzetmarkt. Door een goede (politieke) samenwerking kwam de economische activiteit er snel tot heropleving. De expanderende haven verbond de stad met vrijwel alle grote wereldhavens. Een aansluitend netwerk van spoor- en (water)wegen bracht de nodige delfstoffen (kolen b.v.), grondstoffen en machines zonder problemen tot vlak bij de brouwerij. In de onmiddellijke buurt waren er verscheidene kolenhandelaars gevestigd.
In het begin werden de briefhoofden uit Landegem nog gebruikt. Ze leren ons dat de stoombrouwerij toen een eigen mouterij bezat. In de 19de eeuw maakten vele brouwerijen hun mout bij voorkeur zelf, omdat deze grondstof zo bepalend was (is) voor kleur, geur en smaak van hun bier. In de tijd dat de vader van Aimé met zijn nieuwe brouwerij te Landegem begon, was de stoommachine in de sector al ingeburgerd. De machines werden er gebruikt voor het aandrijven van moutmolens, waterpompen, roerwerken, heftuigen, het (stoom)koken van de wort etc.
Zijn ‘specialiteit’ ( zie afbeelding ) laat zien dat Meiresonne oog had voor vernieuwing, maar ook de klanten met een meer traditionele smaak wilde behouden. Het blonde, koel te drinken bier (pils), een lichtgeel lage gistingsbier met schuimkraag en een laag alcoholpercentage, zou tijdens het interbellum de Belgische markt veroveren. De Carlsbergbrouwerij te Kopenhagen had dit soort bieren vanaf 1883 een ongekende stimulans gegeven. Het do(u)bbel bier was een donker bier van hoge gisting, dat traditioneel gebrouwen werd in de kleine 19de-eeuwse familiebrouwerijen van ons land. Bier in flessen en ‘presvaten’ was een andere ‘moderne’ trend die zich volop doorzette, terwijl de houten tonnen deden denken aan vroegere tijden. Toen rijpte het bier verder in eikenhouten tonnen om dan bij de klanten te worden afgeleverd.
Meiresonne paste zich snel aan aan zijn nieuwe vestigingsplaats, de grootstad Gent, toen de vijfde grootste industriestad van het land. Dat blijkt b.v. uit een briefhoofd van een paar jaar later: het is tweetalig, zakelijker, voorzien van praktische gegevens voor de klanten en meer gepersonaliseerd. De bedrijfsleider komt duidelijk in beeld. Uit stempel en handtekening blijkt dat zus Céline de administratie deed.
Grote investeringen
Belangrijker was dat Aimé onmiddellijk fors investeerde ondanks de moeilijke economische conjunctuur na de oorlog: voor wie durfde investeren in een modern productieapparaat en in de nieuwe brouwerijtechnologie waren er ook mogelijkheden. Gent en omgeving boden een goede afzetmarkt terwijl de oorlog, de wet Vandervelde (1919) en de acties van de matigingsbonden een zware slag toegebracht hadden aan de jeneverproducenten, geduchte concurrenten van de brouwers.
Al in augustus 1919 vroeg hij toelating om een verplaatsbare, tweedehandse stoommachine te mogen installeren. Nog hetzelfde jaar kreeg hij toelating voor het plaatsen van een stoommachine van 35 pk. In 1921 kwam er nog één bij, geconstrueerd door de broers Mahy uit Wondelgem. Firma’s uit het Ruhrgebied stonden garant voor de degelijkheid van de gebruikte staalplaat. Voorjaar 1922 werd er nog een nieuwe stoommachine geplaatst, die gebouwd was in de constructiewerkplaatsen van de gerenommeerde stoommachinebouwer Van Den Kerchove aan de Coupure Links. Al deze zware machines moesten op stevige betonnen sokkels worden geplaatst om gedaver te voorkomen en een schoorsteen van minimaal twintig meter hoog zou de rookhinder beperken.
Rond dezelfde tijd werd er aan de kant van Apostelhuizen een nieuwe koelzaal van elf meter op negen gebouwd, goed voor negen koeltanks. Begin 1922 kwam er een koel- en vriesmachine om industrieel ijs te vervaardigen door middel van ammoniak(gas). Al tijdens de tweede helft van de 19de eeuw was men, steunend op de vooruitgang in de chemie, begonnen met het aanmaken van ijs via allerlei toestellen en apparaten. Dit industrieel ijs moest het natuurijs vervangen, dat tijdens de winter op vijvers en waterlopen ‘gekapt’ werd om dan in speciale kelders te worden opgeslagen. Nieuwe koeltechnieken waren immers onontbeerlijk vooral bij de productie van bieren van lage gisting waarbij de bewerkte mout werd afgekoeld tot 5° C. Ook bij andere bewerkingen was koeling zeer belangrijk, terwijl het bijna afgewerkte bier ook nog eens koel moest worden bewaard vooraleer op flessen of vaten getrokken te worden. In 1925 gebruikten nog maar 24 Belgische brouwerijen op een totaal van bijna tweeduizend een koelmachine.
Het gebruik van ammoniak was niet zonder gevaar: daarom moest de machine zorgvuldig onderhouden worden en dienden er gasmaskers aanwezig te zijn in geval van schadelijke uitwasemingen. Bij ernstige ongevallen kon de brouwerij een beroep doen op twee artsen. Via deuren en vensters werden de zalen goed verlucht en in de daken werden luchtpijpen aangebracht, voorzien van zonneblindenlatten. Er waren ook voorzieningen getroffen voor een snelle brandbestrijding. Het was ten slotte verboden ammoniakhoudend afvalwater in de riolering te lozen.
In 1922 was de brouwerij dus al aardig uitgebreid en vernieuwd. Overdag werkten er 25 arbeiders - de meesten in openlucht - en een (leer)jongen, de avondploeg telde tien mannen:die werkten van 16.00 tot 24.00 uur. In de zomer begon de dagploeg om 7.00 uur en werkte tot 16.00 uur, onderbroken door één uur pauze. In de winter begonnen de arbeiders één uur later en namen ze een pauze van anderhalf uur. Hiermee hield het bedrijf zich aan de achturige werkdag en een wekelijkse werkduur van 48 uren, zoals kort tevoren was opgelegd door de wet van 14 juni 1921, die op 1 oktober in voege was getreden.
Verontruste buurtbewoners
De snelle uitbreiding en modernisering van de brouwerij leidden tot verontrusting en klachten in deze dichtbevolkte arbeidersbuurt. De voornaamste klachten waren: watergebrek, spleten en scheuren in de muren,voortdurend gerinkel van ruiten en glaswerk, verstoring van de nachtrust door het onophoudelijke geronk der machines. Vooral de bewoners van drie rijhuizen aan de Koepoortkaai (zie detail kadasterplan 1922), waarvan het dichtste op amper vier meter van een machinekamer gelegen was, uitten die bezwaren. Maar ook andere buurtbewoners hoopten dat Meiresonne geen bijkomende vergunningen meer zou krijgen: zoveel machines op een betrekkelijk kleine oppervlakte was gevaarlijk, terwijl scheuren en grondverschuivingen niet zouden uitblijven.
Het was echter snel duidelijk dat de overheid de expansie van het bedrijf niet zou tegenhouden. De klachten verstomden snel. Toen de brouwerij begin 1923 een aanvraag deed om nog een stoommachine uit de ateliers van de broers Mahy te mogen plaatsen, liep er geen protest binnen bij gemeente of provincie. De buren schikten zich in hun lot of verhuisden en de huiseigenaars kozen eieren voor hun geld. Zodra de kans zich voordeed verkochten ze hun huis, dat voortdurend in waarde daalde, aan de brouwerij: die liet de huizen meestal afbreken voor bedrijfsgebouwen of liet ze staan en bewonen door personeel van het bedrijf.
Even tevoren was er nog protest gerezen toen Meiresonne op 7 februari 1923 de toelating kreeg om een benzineopslagplaats in te richten voor het voltanken van de bedrijfswagens die het bier naar de klanten brachten. Sommige buren vreesden voor brand- en ontploffingsgevaar. Volgens de overheid waren die gevaren praktisch onbestaande als het bedrijf zich strikt hield aan de opgelegde voorwaarden. Zo moest de ijzeren tank van maximaal 5.000 liter in een gemetselde en waterdicht gecementeerde put onder de grond geplaatst worden. Het in- en uitpompen zou gebeuren met veiligheidspompen en via ijzeren buizen zou men de benzine naar de straat leiden. Op die manier diende er geen benzine in de wagens gepompt te worden op de binnenkoer van de brouwerij.
Na goedkeuring op 8 mei 1925 werd de stroomvoorziening van 1922 (een dynamo van 220V/60A) fors uitgebreid. Er werd een elektrogeengroep geïnstalleerd voor de verlichting der brouwerij. Die groep omvatte één elektrogenerator van 20 pk (220V/gelijkstroom) en een semidieselmotor op gasolie van 20 pk. De olie was opgeslagen in ijzeren vaten met een totale capaciteit van duizend liter. Het geheel werd op een stevig betonnen platform geplaatst om de buren gedruis en gedaver te besparen. Kort daarna werd de constructiewerkplaats, rechts van de brouwerijkoer, aanzienlijk vergroot.
Verbouwingswerken en nieuwbouw in het kader van verdere uitbreiding
Vanaf 1926 kende de Belgische economie - vooral door de financiële maatregelen van Emile Francqui, minister zonder portefeuille in de eerste regering Jaspar - eindelijk een heropleving. De koopkracht van arbeiders, boeren en middenstanders nam toe. Bijna alle industriële sectoren profiteerden van deze hoogconjunctuur, die gepaard ging met nieuwe investeringen en technische vernieuwingen. Meiresonne profiteerde van dit gunstig economisch klimaat om opnieuw fors te investeren in zijn brouwerij. Vooral eind 1927-begin 1928 werden er grote verbouwings- en aanpassingswerken uitgevoerd.
Het begon met de verhoging van het oorspronkelijke gebouw ‘Heughebaert’ tot drie volwaardige bouwlagen. De dakconstructie werd aangepast en van een goede verluchting voorzien. Onder de kroonlijst stond te lezen:
BROUWERIJ
A. MEIRESONNE
BRASSERIE
Aan de zijgevel in de Zakkebandstraat stond alleen: A. MEIRESONNE. Boven de zaal met de wachttanks werd op de eerste verdieping de zaal voor de gistingskuipen verbouwd. Voor alle verbouwingen en nieuwbouw deed Meiresonne een beroep op architect Clément Diegerick, zelfs nadat deze na de oorlog naar Brussel was verhuisd. Diegerick woonde in een ruime herenwoning aan de chique Koning Albertlaan, die kort voor de wereldtentoonstelling te Gent (1913) werd aangelegd.
Vanaf 1927-’28 beschikte Meiresonne over een goed geoutilleerde brouwerij, annex ijsfabriek, die de concurrentie aankon. Behalve een gerstmaalmachine stonden er twee brouwketels van 130 hl, twee bierfilters van 70 hl en 33 tanks voor de lagering van het bier . Ongeveer twintig pompen konden het mout in zijn verschillende stadia van bewerking overpompen. In de ‘wachtzaal’ stonden acht aluminium reservoirs van 250 hl en twaalf stalen reservoirs van ongeveer honderd hl om het bier te bewaren. In de bottelarij werd het bier op flessen of vaten getrokken, klaar voor levering. In een grote zaal werden flessen en vaten grondig gereinigd en ontsmet voor hergebruik. Rechts van de ingangspoort lagen de machinekamers met de stoommachines en dieselmotoren, die de hele brouwerij van energie voorzagen. Al genoemd zijn de ateliers voor hout- en ijzerbewerking, rechts van de binnenkoer.
Het water voor de ijsfabriek in kelders van de brouwerij en voor de brouwerij zelf, werd uit vier geboorde putten getrokken. Door verschillende bewerkingen werd het geschikt gemaakt als brouwwater. (Het afvalwater werd na filtering geloosd in de Nederschelde.) De ijsfabriek produceerde ongeveer duizend kg ijs per week, terwijl de brouwerij toen een productie haalde van 3.500 hl bier per maand. Hiermee zat ze al heel ver boven de gemiddelde productie van de ongeveer 1900 Belgische brouwerijen. Het hele bedrijf stelde toen 55 arbeiders en bedienden tewerk. Het lag nog altijd temidden van heel wat woningen (o.a. citéhuisjes), maar paalde slechts aan de binnenplaatsen of tuinen der buren. Bovendien was het omringd door hoge en stevige muren. Verdere expansie in zuidelijke richting werd gehinderd door de smalle Zakkebandstraat. Aimé wist echter gedaan te krijgen dat de straat werd opgeheven. Die opheffing gebeurde door een besluit van de gemeenteraad (08/10/1928), dat daarna werd bevestigd door een K.B. van 18 februari 1929.
Na 1928 ging de uitbreiding door. In november van dat jaar kwam de toelating om de bestaande gistingskelder (10.70 m breed en 17.68 m breed) te vergroten. Twee jaar later werd er langs de Koepoortkaai een elektrische cabine van twee bouwlagen opgetrokken. Begin 1932 werd het huis op nr.44 afgebroken. De kelder ervan werd aanzienlijk uitgebreid. Eind april 1932 was de toelating binnen voor de bouw van een hangar (gevellengte: 13.70 m; hoogte: 13.53) aan de zuidelijke kant van de Koepoortkaai tussen het gebouw ‘Heughebaert’ en een bestaand gebouw. Omdat de hangar het riool en het Oud Scheldeken (een aloude verbinding tussen de (ondertussen gedempte) Oude Schelde en de Nederschelde die in 1842 was overwelfd) zou overdekken, moest Meiresonne, vooraleer met de bouw te beginnen, aan het stadsbestuur een plan met de ‘ontlastingspunten’ voorleggen.
Na de zomer 1932 begon men met de bouw van een tweede enorme hangar op de plaats van de gesloopte huizen 97-103 van Apostelhuizen. Het gebouw in ongevoegd metselwerk begon ongeveer ter hoogte van de Kapucijnenham, had een straatgevel van ruim 58 m en was bedekt deels met een plat dak, deels met beglaasde zadeldaken op metalen spanten. Op de verdieping kwam er een eetzaal voor de arbeiders, een ‘luxe’ die veel bedrijven toen nog niet hadden. Met zijn grote toegangspoorten en bovenaan het enorme opschrift “BROUWERIJ A. MEIRESONNE” was het zeer bepalend voor het straatbeeld. In 1934 werd de opslagcapaciteit voor benzine opgevoerd tot 10.000 liter in twee tanks van 5.000 l. Ze werden onder de kasseien van de binnenkoer rechtstreeks in de grond geplaatst, maar wel op een stevige betonnen roostering en het plaatijzer ervan was beschermd door een bekleding van jute en asfalt.
Meiresonne n.v. tot en met de Tweede Wereldoorlog (1935-1945)
Het familiebedrijf wordt een n.v.
Die sterke expansie zou ons bijna doen vergeten dat de economische toestand in België, als gevolg van de grote crisis in de Verenigde Staten, vanaf 1931 fel was verslechterd. De Belgische bierproductie was in 1935 gedaald tot een dieptepunt van 10 miljoen hl, ondanks een goede zomer en de gunstige invloed van de wereldtentoonstelling te Brussel in dat jaar. Veel kleinere bedrijven verdwenen door stopzetting of fusies, zodat er in 1940 maar een goede duizend brouwerijen meer overbleven. Brouwerij Meiresonne had blijkbaar niet veel last gehad van die crisis. De investeringen waren gewoon doorgegaan en nadat het economisch herstel na 1935 was ingezet, zou het tempo en de omvang van de investeringen sterk worden opgedreven.
De biernijverheid werd steeds kapitaalsintensiever, zodat familiebedrijven, die evenwel ruim in de meerderheid bleven, geleidelijk overschakelden naar de vennootschaps-
vorm. Zo ook Meiresonne. De brouwerij, als een typisch landelijk familiebedrijf begonnen en na de oorlog voortgezet, kreeg in 1935 het statuut van een naamloze vennootschap. Dat had als voordelen: de beperkte aansprakelijkheid, de grotere continuïteit en stabiliteit en vooral de mogelijkheid om door middel van aandelen een groter kapitaal te verwerven en te beheren. In 1936 had 13% van de toen nog 1.183 Belgische brouwerijen het n.v.-statuut aangenomen.
Brouwerij Meiresonne behoorde toen al tot de vier grote brouwerijen die Gent in de 20ste eeuw heeft gekend. De andere drie waren: Aigle-Belgica aan de Nieuwe Wandeling, Ultra aan het Dobbelslot en Excelsior (een fusie van de brouwerijen Gevaert en Vanderstricht) aan de Steendam. Excelsior - ondertussen ook gesloten, gesloopt en in de jaren negentig vervangen door sociale huisvesting - maakte gebruik van de sanering van de Nieuwpoortwijk om op de vrijgekomen gronden verder uit te breiden. De sanering van de buurt tussen Koepoortkaai en Apostelhuizen gaf Meiresonne de kans om daar verder uit te breiden. In die tijd werkten er in de drankbereidende sector te Gent een kleine zeshonderd personeelsleden. De brouwerijsector was duidelijk meer kapitaals- dan arbeidsintensief.
Behalve een belangrijke statutenwijziging bracht 1935 ook lief en leed voor de familie Meiresonne. Op 23 januari overleed Alfred, een broer van Aimé, na een slepende ziekte. Jarenlang was hij de ervaren brouwmeester geweest, die gehuwd was met Aline Bekaert, eveneens uit een brouwersfamilie. Hij was ondertussen opgevolgd door brouwmeester Bekaert en door een ingenieur uit bierland Duitsland. Verschillende grotere Belgische brouwerijen trokken toen brouwingenieurs aan uit Duitsland of Tsjechië, het land van de pils. Op 19 augustus trouwde de 46-jarige Aimé met Léonie De Jaeger, een knappe vrouw uit het cafémilieu. Het echtpaar zou kinderloos blijven, wat Aimé betreurde, ook omdat hij niet kon rekenen op een zoon al opvolger.
Het echtpaar woonde, geheel passend bij zijn welstand, in het zgn. Miljoenenkwartier aan het De Smet De Nayerplein, nr.2. Daar had Aimé in 1931 (volgens een steen in de zuidgevel) een groot huis laten bouwen, eveneens ontworpen (1930) door architect C. Diegerick. De grond werd aangekocht en het huis gebouwd op naam van Léonie Marie De Jaeger, die enkele jaren later met Aimé zou trouwen. Het is een statig huis in neoclassicistische stijl van bak- en natuursteen en van twee bouwlagen onder een mansardedak. Een ruim balkon rustend op twee gestileerde ionische zuilen markeert de inkompartij. Zoals bij vele huizen in die buurt sluit een smeedijzeren hekwerk de voortuin af. Achteraan in de tuin bevindt zich een leuk paviljoentje, waar het bij mooi weer heerlijk toeven was.
Laatste grote investeringen voor de oorlog
Voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog deed de n.v. Meiresonne alweer enkele grote investeringen om de brouwerij uit te breiden en kwalitatief te verbeteren. Op 2 september 1935 kwam de toelating om een groot depot (o.a. met garages) te bouwen ten zuiden van het bestaande gebouwencomplex langs de Koepoortkaai. Meiresonne had de aannemer al zonder toelating laten beginnen, maar werd door de dienst Openbare Werken van de stad onmiddellijk op de vingers getikt. De hoofdpolitiecommissaris had opdracht gekregen de werken direct te doen stilleggen, waarna Meiresonne zich in regel had gesteld, waarna het college van burgemeester en schepenen had toegelaten om de werken te hervatten. Het werd een groot gebouw van acht traveeën met bijna centraal een smalle verticale strook waarop in grote letters van boven naar onder ‘DE HOPRANK’ prijkte.
In 1936 werd een beluik van tien povere huizen - waarvan één verkrot voorhuis langs de Koepoortkaai - dat grensde aan het depot, afgebroken om plaats te maken voor een nieuwe uitbreiding van ‘DE HOPRANK’. Die uitbreiding betrof een kelder van ruim zes meter breed en 23,66 m lang, die plaats bood aan zes opslagtanks. In 1937-’38 werden alweer twee grote hangars opgetrokken. De eerste liep door van Koepoortkaai (gevelbreedte: 15,3 m) tot Apostelhuizen (gevel: 42,5 m). Hiervoor verdwenen opnieuw drie huizen. De tweede hangar, nog meer naar het noorden langs de Koepoortkaai, had een gevel van 25 m en een hoogte van 10,5 m. Ook die hangars waren opgetrokken in ongevoegd metselwerk en voorzien van grote toegangspoorten. In de zomer 1938 werd de aanvraag voor een benzineopslagplaats van 20.000 liter voor eigen gebruik goedgekeurd. Langs de kant Apostelhuizen werden twee tanks van elk 10.000 liter in twee gebetonneerde putten geplaatst.
Door de alsmaar uitbreidende administratie voldeed de vroegere (reeds uitgebreide) bureauruimte niet langer. Daarom ontwierp L. Diegerick voor de administratieve diensten een volledig nieuw gebouw in een sobere neoclassicistische stijl. Het werd in 1938-’39 langs de Koepoortkaai opgetrokken en had een gevelbreedte van 18 m en een hoogte van 16,5 m. Het gebouw van vijf traveeën had een gelijkvloers in imitatiebanden, de verdiepingen waren in baksteen. Ook binnen was de afwerking zeer verzorgd met onder andere monumentale trappen. Op de nieuwbouwplannen is nog altijd sprake van ‘brasserie De Hoprank’, terwijl de naam op een briefhoofd uit 1938 niet meer voorkomt. Er blijkt ook uit dat zus Céline nog altijd de administratie leidde samen met een hoofdboekhouder.
Stagnatie door de Duitse bezetting
De Tweede Wereldoorlog zette opnieuw een domper op de brouwactiviteit in ons land. De voorraden aan gerst, mout en hop waren snel opgebruikt, zodat de brouwers zochten naar vervangingsgrondstoffen voor de schaarse brouwgerst: maïs, rijst, tarwe, haver, rogge, aardappelen, bieten, kortom alles wat zetmeel bevat dat kan worden omgezet in suikers. Dat gehandicapte brouwproces leverde fluitjesbier op dat nog slapper was dan het vooroorlogse tafelbier. Behalve aan basisgrondstoffen ontstond er ook snel een tekort aan energie (kolen, olie, elektriciteit), aan auto’s en paarden (die werden opgeëist) en aan flessen, kroonkurken, etiketten etc. Net als de meeste andere brouwerijen verloor de brouwerij Meiresonne personeel door mobilisatie, gedwongen tewerkstelling, gevangenneming etc. Een deel van de directie was op de vlucht geslagen en ook de Duitse ingenieur was niet meer op post. Gelukkig bleef de brouwerij gespaard van koperopeisingen, zodat ze draaiende kon gehouden worden. Ze leverde ook het zogenaamde Wehrmachtsbier voor de Duitse soldaten aan de bezetter . Net voor (1939) en tijdens de oorlog (1941) werden nog verschillende vervallen huizen aan de Koepoortkaai en Apostelhuizen afgebroken, waarna de grond bij het fabrieksterrein werd gevoegd.
Negatieve gevolgen bleven natuurlijk niet uit. De oorlog bracht in amper een kwarteeuw een tweede zware slag toe aan de resterende bedrijven in ons land. Opnieuw sloten heel wat (familiale) brouwerijen de poorten, ook al omdat ze de technologische ontwikkelingen niet of onvoldoende hadden gevolgd. Tussen 1939 en 1945 daalde hun aantal van 1062 tot 775. Die dalende trend zien we uiteraard ook in Gent. Direct na de oorlog was het aantal Gentse brouwerijen geslonken tot onder de twintig. In de hele Gentse regio waren er in 1948 nog 28 actief. De totale bierproductie bleef nochtans op peil omdat de overblijvers gemiddeld (veel) meer produceerden dan hun voorgangers. Na de gedwongen stilstand door de oorlog zou Meiresonne het vooroorlogse peil snel overtreffen.
Bloei en teloorgang na 1945
De grootste brouwerij van Vlaanderen
Tijdens de oorlog werd de doorstart van het bedrijf, dat van zware oorlogsschade gespaard bleef, door de directie grondig voorbereid. Na de oorlog keek men voor machines en productiesystemen tijdelijk niet langer naar Duitsland, maar naar de Verenigde Staten. Aimé Meiresonne bezocht het land verschillende keren tijdens studiereizen. Dank zij de Marshallhulp kwamen nieuwe installaties en machines nu overwegend uit de Verenigde Staten of ze werden onder Amerikaanse licentie gebouwd. De bottelarij werd volledig vernieuwd met zes enorme vulmachines en grote spoelmachines konden minstens tienduizend flessen per uur reinigen. In 1946 werd er een voorlopige zaal ingericht voor de nieuwe koelinstallaties. Een nieuw fabricagesysteem werd op punt gesteld om het brouwproces zonder kwaliteitsverlies te versnellen. Aanvankelijk werd het wagenpark uitgebreid met gerecupereerd militair materieel.
Die dynamische en vernieuwende aanpak leidde ertoe dat Meiresonne na de oorlog de grootste brouwerij van Vlaanderen werd. Na verschillende uitbreidingen in de jaren ’50 besloeg het fabrieksterrein met zijn meer dan anderhalve ha oppervlakte het grootste deel van het bouwterrein tussen Koepoortkaai en Apostelhuizen. Het bedrijf zette per jaar honderden tonnen grondstoffen om in drank. Zo werd de bekende Celta-pils gebrouwen naast Fort-Ga, Goliath, Ganda-Ale, Family’s en Stolz. Tegemoetkomend aan een nieuwe trend werden ook de limonades Golf en (Cola)Colibri en het mineraalwater Imperia met succes op de markt gebracht.
Afhankelijk van het seizoen stelde het bedrijf tussen de 600 en 750 mensen tewerk. In de zomer draaide Meiresonne continu met drie ploegen. De arbeiders kwamen te voet, per fiets of met de trein (Dampoortstation vlakbij!) naar het werk. Tijdens de winter werd het grote onderhoudswerk aan tanks, machines en gebouwen verricht. Al van lang voor de oorlog had de brouwerij hiervoor eigen ateliers en technisch personeel.
Deze omvangrijke productie zorgde ervoor dat logistiek en wagenpark veel aandacht kregen:al die drank moest op tijd op de juiste plaats terecht komen. In een ruime en modern uitgeruste garage zorgde het bedrijf zelf voor het onderhoud en de reparaties van de ongeveer tachtig vrachtwagens. De productieafdeling werd bijgestaan door een labo (boven de bottelarij) om een constant goede bierkwaliteit te waarborgen: hier controleerde men de primaire grondstoffen: het gefilterd en bewerkt leidingwater, het mout en de hoppe. Tijdens het brouwproces werden regelmatig stalen genomen en proeven gedaan om te zien of het productieproces optimaal verliep. Proefbrouwsels werden gemaakt en er werd onderzoek verricht inzake gistculturen, hopsoorten, schadelijke bacteriën etc.
In 1951 - het jaar waarin Aimé zijn ongehuwde zus Céline, een trouwe medewerkster van het eerste uur verloor - brak de brouwerij haar productierecord. Er werden toen vijf miljoen kg grondstoffen verwerkt. De export naar Duitsland en Noord-Frankrijk droeg bij tot dat succes. Die stijgende productie had het aantal werknemers fors doen toenemen. Hun macht en invloed was sterk toegenomen door de vakbonden, bij Meiresonne vooral die van het socialistische ABVV. Comités voor Veiligheid, Gezondheid en Verfraaiing van de Werkplek (1946) en ondernemingsraden werden opgericht (1948) om de georganiseerde werknemers meer bij het beleid van de ondernemingen te betrekken.
Bij Meiresonne werd de werkplek inderdaad verfraaid. Het bureaugebouw werd in 1949 verhoogd met één verdieping, die werd ingericht als nieuwe bedrijfskantine (tevens feestzaal). Aan een honderdtal kleine tafels konden de honderden werknemers er hun lunchpakket aanspreken. Aan het buffet konden ze goedkoop soep krijgen en gratis tafelbier. Aan hygiëne en gezondheid van de arbeiders was eveneens gedacht. Een grote zaal met centrale verwarming was ingericht als vestiaire en wasplaats.
In de jaren vijftig behoorde Meiresonne tot de grootste moderne brouwerijen van België. Die positie had ze te danken aan de vroege inzet van nieuwe apparatuur en aan het gerationaliseerde productieproces na de oorlog. Zij speelde in op het grote naoorlogse succes van de pils in en buiten ons land. Haar ruime aanbod aan soorten was een bijkomende troef. In eigen land (in Gent zelf waren er twee gerenommeerde brouwerijscholen) opgeleide ingenieurs maakten door aanpassingen aan het fabricageproces serieuze productiviteits-
en kwaliteitsverhogingen mogelijk. Kaderleden en meestergasten werden bij Meiresonne zelf verder opgeleid en ze moesten zich bijscholen. Ten slotte zorgden aantrekkelijke sociale voorzieningen en behoorlijke lonen voor gemotiveerd personeel.
Einde van een succesverhaal
Het succesverhaal van de jaren vijftig ging door tot begin jaren zestig. Het personeel bedroeg nog steeds minimaal 500 personen, in de zomer waren er meer, ook jobstudenten. Jaarlijks werden zo’n 350.000 hl bier gebrouwen dat afgezet werd in eigen land en verder in Nederland, Frankrijk en Duitsland. Ook spuitwater en limonades (Colibri!) bleven het goed doen. Bij de grote Belgische mouterijen werden de beste moutsoorten aangekocht om er de Meiresonnebieren mee te brouwen. Dat gebeurde van begin tot einde in een gesloten circuit om elk bederf via luchtcontact te vermijden. Heel het brouwproces werd constant begeleid en gecontroleerd door een goed uitgerust labo.
Goed bier brouwen is één zaak,maar het moest ook zonder kwaliteitsverlies tot bij de consument geraken. De logistieke cel zorgde ervoor dat de klanten stipt binnen de vierentwintig uur na bestelling werden bevoorraad. Een speciale dienst zorgde voor het onderhoud en de verbetering van de tapinrichtingen in de vele horecazaken die Meiresonne-
bier tapten. Vertegenwoordigers van de brouwerij bezochten regelmatig de klanten om te luisteren naar hun wensen en eventuele problemen. In zo’n concurrentiële bedrijfstak was klantenbinding uiteraard zeer belangrijk.
De hele fabriek werd van elektrische energie voorzien door een lokale elektrische centrale, die ondertussen meer dan duizend motoren liet draaien. Er waren ook nog drie stoomketels, waarvan twee op kolen en één op stookolie, die per uur tien ton stoom leverden. Die stoom(energie) werd onder andere gebruikt voor de verwarming in de brouwketels, in de spoelbaden der bottelarij en voor de centrale verwarming. Ammoniakcompressoren zorgden voor de afkoeling van het wort, de koeling der kelders, gistkuipen etc. en voor de aanmaak van ijsblokken voor de cafés.
Aimé Meiresonne beschouwde de brouwerij als zijn levenswerk, zijn kind, maar hij besefte ook dat hij, ondertussen zelf al meer dan zeventig, geen opvolger had. Daarom trad hij in onderhandeling met Artois uit Leuven. Dat verwierf in 1964 een meerderheidsparticipatie in de n.v. Meiresonne, die toen al met financiële problemen kampte. Zoals er meerdere vaders waren van het succes, zo waren er ook meerdere oorzaken van de achteruitgang. Deels moeten die in het bedrijf zelf worden gezocht, deels waren zij van externe aard.
Aimé was dag en nacht bezig geweest met zijn bedrijf en wou alles controleren, maar slaagde daar de laatste jaren wellicht niet meer in. De zaak was hem boven het hoofd gegroeid. Ingenieurs met onvoldoende praktijkervaring namen soms de verkeerde beslissingen of spraken elkaar tegen, wat negatieve gevolgen had voor de kwaliteit van het bier. Misschien leefde het bedrijf op te grote voet. Werknemers kregen allerlei boni in natura en door de sterke invloed van de vakbond - die kon dreigen met staking - waren de lonen aan de hoge kant. Externe factoren waren de verzadiging van de Belgische biermarkt, de toenemende concurrentie van buitenlandse bieren in een groeiende Europese markt en het succes van allerlei kwaliteitsbieren die op kleinere schaal werden gebrouwen.
Aimé Meiresonne overleed te Gent op 16 juni 1966, 78 jaar oud. Gedurende een halve eeuw was hij het gezicht en de ziel van de brouwerij geweest. Hij werd in de intimiteit van zijn familiekring begraven en bijgezet in de familiekelder op het kerkhof van Gentbrugge. Op 9 juli werd er in de Sint-Baafskathedraal een plechtige dienst gehouden voor een ruim publiek. Nog in hetzelfde jaar verkocht mevrouw Meiresonne het huis aan het De Smet De Nayerplein aan dokter Viane. Die verkocht het op zijn beurt aan het echtpaar dr. Malcolm – Thomas,dat er nog steeds woont.
Enkel maanden na het overlijden van Aimé viel het bierbrouwen aan de Koepoortkaai stil. Er werd alleen nog limonade gefabriceerd en gebotteld, terwijl de vestiging ook dienst deed als distributiecentrum van dranken. Personeelsleden die het bedrijf verlieten (ontslag, pensionering etc.) werden niet meer vervangen. Begin 1975 vernam het overblijvende personeel via een omzendbrief dat de ondernemingsraad van Artois beslist had over te gaan tot een herstructurering van haar productiepolitiek. Alleen het bottelen van limonade zou voorlopig nog doorgaan. Volgens de raad was de locatie tussen Koepoortkaai en Apostelhuizen te beperkt om daar een rationele en competitieve productieeenheid verder uit te bouwen. Het overblijvend personeel zou binnen de Artoisgroep herplaatst worden (o.a. te Zwijnaarde) en 60-plussers konden met vervroegd pensioen. Eind 1976 was alle activiteit in de eens zo bloeiende brouwerij definitief stilgevallen en werden haar poorten gesloten. Het einde van alweer een bekende Gentse brouwerij…
P.S. Wie interesse heeft voor de literatuur en de bronnen waarop mijn korte geschiedenis van de brouwerij is gebaseerd, kan ze krijgen.