DE BUURT TUSSEN SINT-ANNA EN ZWEMBAD VAN EYCK
IN DE 19DE – BEGIN 20STE EEUW
Inleiding
Na de bondige geschiedenis van de brouwerij Meiresonne (1919-1976) en van de grote veranderingen in onze buurt volgend op de sluiting ervan, wil ik nog aandacht besteden aan de voorgangers van Meiresonne in de 19de – begin 20ste eeuw. Onze buurt zag er toen helemaal anders uit dan in de reeds besproken periode. Daarom schreef ik eerst een apart derde deeltje over de aard en het uitzicht van onze buurt in de periode van ca.1800 tot en met de Eerste Wereldoorlog. Hier en daar laat ik de schets van die (urbanistische) veranderingen doorlopen tot op vandaag.
Een deel van Overschelde
In de 19de eeuw zag onze buurt er heel anders uit dan nu. De grote kastanjebomen aan de Koepoortkaai waren nog niet aangeplant en de Nederschelde had nog geen kaaimuren, maar natuurlijke, dichtbegroeide oevers. Het was een geliefde plek voor vissers die er karper, tink, paling etc. trachtten te verschalken. Vrijwel elke winter hadden de buurtbewoners te kampen met wateroverlast wanneer de rivier buiten zijn oevers trad. Deels parallel met de Schelde liep de Schepenenvijver (toen Capucijnenvaardeken genoemd), die in de middeleeuwen als een extra stadversterking was bedoeld. Aan de andere kant van Koepoortkaai en Nederschelde, aan de Visserij, stonden praktisch nog geen huizen. Vanaf de Koepoortkaai had men een wijds uitzicht op een langgerekt industrieel eiland met wind- en watermolens, papier- en tabaksfabrieken, een houtzagerij, een olieslagerij, steenkoolhande-
laars etc.
De buurt die later zou worden gedomineerd door de brouwerij Meiresonne, behoorde sinds de middeleeuwen tot Overschelde, meer bepaald tot de Nieuwbrugwijk (ook: ‘Over de Nieuwbrug’). Die naam verwijst naar een nieuwe houten brug over de Schelde (Reep) uit het begin van de 14de eeuw, die begin 16de eeuw in steen werd herbouwd. Ze lag op de plaats waar in 2007 de splinternieuwe Gentse Nieuwbrug werd gebouwd met het oog op het opnieuw openleggen van de Reep. Ze gaf toegang tot Overschelde dat in 1254 bij de stad was ingelijfd. Eenmaal aan de overkant kon men de belangrijke verhoogde damweg richting Brabant bereiken: de Brabantdam.
Armoedige beluiken
In het begin van de 19de eeuw was de zompige Nieuwbrugwijk een van de ongezondste van de hele stad. Geregeld braken er besmettelijke ziekten uit, zoals de cholera-epidemie van 1832 die tientallen doden eiste. In dit stadskwartier, meer bepaald in de langgerekte zone tussen Apostelhuizen en Koepoortkaai en verder door richting het huidige Veermanplein, werden er al vanaf de 18de eeuw verschillende beluiken en rijhuizen van dezelfde povere kwaliteit en kleine oppervlakte gebouwd.
Een beluik (later werd ook de term cité gebruikt) was een complex van huisjes rond een van de straat afgesloten pleintje, binnenerf of steeg met een particuliere toegang tot die straat. Voor dit soort huisjes die niet aan de straatzijde gelegen waren moest er tot 1850 geen bouwaanvraag worden ingediend, hetgeen uiteraard allerlei wantoestanden in de hand werkte. Veel huisjes die wel aan de rooilijn van kleine straten en (achter)stegen lagen, waren dikwijls niet (veel) groter en beter dan de beluikhuisjes. In 1788 (invoering van de Oostenrijkse huisnummers) lag nagenoeg vijftig procent van de woningen op Overschelde in een beluik, hetgeen er op wijst dat het een zeer proletarisch kwartier was. In de volgende decennia zou dit percentage alleen nog maar toenemen.
De beluiken zijn een woonvorm die al in de 18de eeuw ontstond. In de hele wijk waren er toen nog verscheidene (soms grote) open ruimten die onder meer als (sier)tuinen werden gebruikt. Door hun tuinrand te verkavelen zorgden de eigenaars ervoor dat hun grond meer opbracht. Zo bouwden Pieter de Bruyne en de meester-timmerman Joseph Calonne in 1774-’78 aan de rand van een grote tuin langs Apostelhuizen en Kapucijnenham 39 huisjes. Ze hadden een grondoppervlakte van ca.20 m², muren inbegrepen; verder een zolder met dakkapel. Erg krap dus voor een gezin met (soms vele) kinderen. Vandaar dat ook de zolders intensief werden gebruikt.
Aan de kant van de onpare nummers telde Apostelhuizen rond het midden van de 19de eeuw ruim vijftig beluikhuizen, waarvan een minderheid zelfs geen bovenkamer had. Nummer 29 telde acht ‘huysekens’ waar 63 bewoners ‘in een afschuwwekkende toestand’ leefden. Op nr.47 begon een smal maar diep steegbeluik dat tot de Koepoortkaai reikte. De meeste van de twaalf huizen waren in 1829 gebouwd en waren in 1850 in goede staat behalve de latrines. Aan de Koepoortkaai nr.20 bevond zich een van de ergste steegbeluiken uit de hele buurt. Het telde ca.1850 dertien huizen en 62 bewoners. De kleinste huizen hadden geen verdieping, de andere een halve verdieping rechtstreeks onder de pannen. Op één huis na heerste er een ‘weerzinwekkende toestand’. ’t Stuk (’t Stuksken) (een ‘stick’ verwijst naar een wat hoger gelegen of hellend stuk land) telde in de 19de eeuw een van de dichtste concentraties aan beluiken in heel Overschelde.
Ook aan de Zakkebandstraat lagen er beluiken die later zouden worden gesloopt, waarna de grond werd ingenomen door de brouwerij Meiresonne. De Zakkebandstraat ( soms ook Zakkebroersstraat genoemd) was een inmiddels verdwenen smal straatje dat de Koepoortkaai verbond met Apostelhuizen. Het kwam in die straat uit ongeveer ter hoogte van de ingang van nummer 91 van het huidige appartementencomplex Riverside Garden. Er zijn twee plausibele verklaringen voor de naam van het straatje. De ene verwijst naar de zakbroeders die in de middeleeuwen woonden op de plaats waar nu de protestantse kerk aan de Brabantdam staat. Hun officiële naam was “fratres de Penitentia Jesu Christi”, maar omwille van hun schamele kledij werden ze in Vlaanderen “broeders van den zacke” genoemd. In 1304 deden de laatste zakbroeders afstand van hun grond en klooster ten voordele van het voldersambacht. Een tweede verklaring verwijst naar “de broeders van den zacke” als arme scheepslossers die in de middeleeuwen in de buurt van hun werkterrein aan de Nederschelde woonden: de havenzone van aan de Keizerpoort tot aan de Oude Beestenmarkt. Zij waren vooral zakkendragers (verenigd in een ambachtsbroederschap) omdat de meeste goederen toen in zakken of balen werden vervoerd.
De overbevolking en haar gevolgen
De sterke toename van eenvoudige, soms ronduit krakkemikkige rij- en beluikhuizen in de buurt was geen toeval. Tijdens de jaren van vrede en economische heropleving onder het Oostenrijkse bewind (1749-1789) kende de Gentse bevolking door immigratie vanuit het platteland een aanzienlijke stijging (van 38.000 in 1740 tot 54.537 in 1796). Die (nieuwe) inwoners, onder wie veel arbeiders die werk vonden in de groeiende nijverheid, moesten natuurlijk onderdak vinden. De enorme industriële expansie te Gent zeker ook in onze buurt (b.v. de grote katoenspinnerij van Lousbergs aan de Reep), deed de nood aan arbeidskrachten en hun behuizing nog fors toenemen.
Het verbaast dan ook niet dat de straten in onze buurt zeer dichtbevolkt waren meest met ongeschoolde arbeiders, die hoofdzakelijk werkzaam waren in verscheidene grote Gentse textielfabrieken. Verder waren er ook enkele metaalarbeiders, sigarenmakers, zelfstandigen en renteniers. In 1884 woonden er in de Apostelstraat 478 mensen, bijna zoveel als in de Keizer Karelstraat (528) die nagenoeg drieënenhalve keer zo lang was. Aan de Koepoortkaai (slechts één straatkant) woonden er toen 257 en in de korte Zakkebandstraat 161. Enkele decennia later was er nog niet veel veranderd. Een tachtigjarige, die als jongen direct na de Eerste Wereldoorlog schoolliep in de jongensschool van de broeders van de Christelijke Scholen aan Apostelhuizen, herinnerde zich dat er toen in zijn straat tientallen kinderen speelden. Volgens diezelfde getuige stonden er op het einde van de straat, voorbij de Abeelstraat, nog enkele huizen “alwaar op de kamers samengehokt werd”.
Het dicht opeengepakt wonen in huizen en beluiken bleef natuurlijk niet zonder gevolgen. De cholera-epidemieën van 1832 en 1849 eisten in de wijk tientallen slachtoffers. Enkele bewaard gebleven gevelkapelletjes herinneren aan de uitbraken van deze gevreesde ziekte. Om verder onheil af te wenden, uit dankbaarheid voor het einde van de epidemie, voor genezing etc., kregen de getroffen straten dergelijke muurkapelletjes met daarin meestal een rijk gedrapeerde Maria en kind. Alleen op de hoek van ’t Stuk prijkt achter het glas een beschilderd plaasteren beeldje van de pestheilige Macharius, naar wie kerk en wijk aan de overkant van het water zijn genoemd. Pas na die alarmerende uitbraken van epidemieën boog de stadsoverheid zich voor het eerst serieus over de povere huisvesting van een groot deel van haar bevolking. De politiecommissarissen van de diverse wijken kregen in 1849 opdracht aan verschillende overheden te rapporteren over de woonomstandigheden van de armen.
Op initiatief van de liberale advocaat en schepen Auguste van Lokeren (1799-1872), die als verdienstelijk amateurhistoricus bekend zou blijven door zijn geslaagde actie om de ruïnes van de Gentse Sint-Baafsabdij van de totale teloorgang te redden, trok een groepje raadsleden gedurende enkele dagen zelf op onderzoek in enkele van de armste wijken. Op 14 maart 1850 bezochten ze enkele beluiken, eerst aan ’t Stuk, daarna aan de Zakkebandstraat, Apostelhuizen, de Koepoortkaai en de kleine straten richting het huidige Veermanplein. De arme bewoners die thuis waren zullen verbaasd hebben opgekeken bij het zien van die heren in deftig zwart pak.
Werden de elders wonende beluikeigenaars verontrust door het nieuws over dit bezoek, dat zich ongetwijfeld als een lopend vuurtje verspreidde? Zij waren in ieder geval grotendeels verantwoordelijk voor de gebrekkige verlichting en verluchting, de slechte of ontbrekende waterafvoer, de vochtige muren, de bouwvallige (soms onafgedekte) latrines en beerputten en voor de soms niet of slecht geplaveide binnenkoeren die bij hevige regenbuien in ware modderpoelen werden herschapen, om nog niet te spreken van de winterse overstromingen van de vlakbij gelegen Nederschelde. Zij waren het die de dringende herstelwerkzaamheden aan daken en afvoerpijpen almaar uitstelden, zodat waterinsijpeling de vochtige krotten eigenlijk onbewoonbaar maakte. De huurders moesten wel twee franc of meer per week blijven betalen. Het grootste deel van hun inkomen (maximaal 10 fr. per week) ging op aan huur en voedsel, zodat er onvoldoende overbleef voor verwarming, enig onderhoud etc.
Sanering en urbanisatie
Het rapport van deze stedelijke commissie die nu met eigen ogen de wantoestanden in de beluiken had gezien, wees op het gevaar voor de volksgezondheid, op de noodzaak van de strikte scheiding van riolering (indien aanwezig) en drinkwatervoorziening, de noodzakelijke afbraak van enkele van de ergste beluiken etc. Het gaf aanleiding tot een efficiëntere stedelijke aanpak van deze problematiek. Vooral het opstellen van het eerste en gedetailleerde reglement op de Gentse beluiken (1850) was een belangrijke mijlpaal voor de huisvesting aldaar. Zo gold voortaan de verplichting tot een bouwaanvraag, ook voor gebouwen die niet direct aan de straatzijde gelegen waren.
De grootscheepse 19de eeuwse urbanisatie van Overschelde om een vlotte verbinding te maken tussen het nieuwe Zuidstation (1837) en het stadscentrum, leidde tot het slopen van verscheidene oudere vervallen beluiken: zelfs hele straatjes en stegen werden weggevaagd. Door een nog grotendeels onbebouwd gebied van tuinen en boomgaarden trok de nieuwe Keizer Karelstraat (1837-1843) een breed prestigieus lint, afgeboord met ‘stadspaleizen’ en grote herenwoningen. De nieuwe boulevard doorsneed meerdere smalle straten en verstopte de schamele buurt tussen het nieuwe Sint-Annaplein en het latere Julius de Vigneplein achter een hoog scherm van weelderige herenhuizen.
Door die grote urbanisatiewerken werd de meest zuidelijke punt van de buurt beter bereikbaar, maar de deftige burgers bleven er liever weg. In zijn stadsgids van Gent uit 1857 noteert J.J. Steyaert (1799-1858), een vlaamsgezinde hoofdonderwijzer van stadsschool 2, staande aan ’t Stuk: “Hier bevindt men zich in de streek die zich tot aen de Nieuwbrug uitstrekt en den naem van over de Nieuwbrug draegt. Er is een doolhof van straetjes en stegen en poortjes, meestal door gemeene werkliën en armen bewoond. …” Dan somt hij alle straatjes op en stelt voor niet langs die doolhof te gaan, maar via “de Koepoortplaats (van waer men een fraei gezigt heeft op de Visschery, de groote maeldery en op het nieuwgebouwde slagthuis in het Spanjaerdkasteel)” verder noordwaarts te wandelen.
Het kadasterplan van de buurt (1835) en de 19de eeuwse plannen en kaarten van de stad Gent bewijzen dat Steyaert niet overdreef toen hij sprak van “een doolhof van straetjes …” (zie illustraties). Vooral die aan de noordkant lagen geïsoleerd binnen de Scheldebocht. Van hieruit kon men alleen via de Nieuwbrug het stadscentrum (Sint-Jacobs, de Vrijdagmarkt etc.) bereiken. Die geïsoleerde ligging leidde ertoe dat het buurttaaltje een aparte tongval kreeg en gerekend werd tot het platste Gents, waaruit volgens sommigen het “fabrieksgents” zou zijn ontstaan. Of hebben de vele arbeid(st)ers uit de buurt die in de grote textielfabrieken in de stad werkten, die taal naar hun woongebied overgebracht?
Door verschillende urbanistische ingrepen in de 19de en 20ste eeuw is het oude stratenpatroon van de buurt - al duidelijk herkenbaar op het Panoramisch Gezicht op Gent uit 1534! - grondig veranderd. Een eerste belangrijke ingreep was de al vermelde aanleg van de Keizer Karelstraat (aanvankelijk Nieuwe Brugstraat genoemd). Toen verdween de haakse Kromme Essche(straat) gedeeltelijk onder het begin van die nieuwe brede straat.
Veel ingrijpender voor de buurt was de ingreep van de overheid in 1881. Om een betere verbinding tussen het slachthuis (1857) in de Machariuswijk en het stadscentrum mogelijk te maken, werd toen de Gebroeders Van Eyckstraat afgelijnd. Heel wat burger- en winkelhuizen langs deze straat dateren nog uit het laatste kwart van de 19de en het begin van de 20ste eeuw. De nieuwe straat deed de oude Kozijnstraat volledig verdwijnen. Hierdoor verdwenen ook de meeste merkwaardige huisjes, waarvan sommige nog uit de 16de eeuw dateerden. De laatste overblijvende zouden in 1916 worden afgebroken. Het korte en smalle Koepoortstraatje werd nu de Kozijntjesstraat. In hetzelfde jaar (1881) werd ook de Kelderstraat nog eens aangepakt, waarbij opnieuw arbeidershuizen werden gesloopt. De verbrede straat verloor zelfs haar naam en werd omgedoopt tot de huidige Frans Ackermanstraat, die toen doorliep tot aan de Veerstaat. De Doornstraat werd eveneens verbreed. Twee huizen staan nu nog altijd op de oude rooilijn namelijk de nrs.30 en 36-40.
Een paar jaar later (1884-’86) werd die buurt nog meer gewijzigd. Het oude driehoekige pleintje aan het begin van de Koepoortkaai kreeg in 1884, na de aanleg van de Van Eyckstraat, de naam Van Eyckplaats (nu: Julius De Vigneplein). In 1886 realiseerde de stedelijke overheid een belangrijk plan om de volksgezondheid, gebaseerd op een goede hygiëne, te verbeteren. In het hart van het beluikengebied aan de Mortierstraat liet ze het eerste stedelijke overdekte zwembad in Vlaanderen bouwen. De betonnen kuip van het bad behoorde tot de vroegste Gentse betonconstructies. In 1932 zou het interieur gewijzigd worden in art decostijl en zou een nieuwe betonnen badkuip gegoten worden. In 2003 zou een grondige restauratie en uitbreiding volgen naar een ontwerp van Ro Berteloot. Door de bouw van het zwembad sneuvelden de arbeidershuizen aan de onpare zijde van de Mortierstraat, die een nieuwe naam kreeg: Pieter de Keyserestraat: die was als boekdrukker, -binder en
-handelaar in Gent werkzaam tijdens de eerste helft van de 16de eeuw. Hij was de drukker van de oudste skyline van Gent (1524).
Voor de vele arme gezinnen uit de buurt die het nog zonder stromend water moesten stellen, waren de publieke wasbekkens en badkuipen met warm water een ware zegen. Een ondergronds buizenstelsel transporteerde het warm water van het aan de Reep gelegen textielbedrijf Lousbergs naar het zwembad. Het bewijst dat de elite inzag dat betere levens-
omstandigheden in het algemeen en een betere hygiëne van de arme bevolking in het bijzonder ook haar ten goede kwam. Maar voor die elite mocht het natuurlijk altijd iets meer zijn: dankzij een verplaatsbare houten vloer kon het bad worden omgetoverd tot een wintertuin waar men zelfs kon concerteren.
Ingrepen in de jaren zestig en zeventig
Bijna een eeuw later vonden er opnieuw enkele grote stedenbouwkundige ingrepen plaats, die vele Gentenaars nu als lelijk en hinderlijk ervaren vooral omdat zij door hun hoogte en omvang de omgeving verstoren. In 1975 werd de hele onpare straatkant van de Doornsteeg gesloopt en verdween de Veerstraat - die via een waterstraatje toegang verleende tot de Schelde (Reep) - om plaats te maken voor het nieuwe torengebouw van de R.T.T. (Belgacom). Ook het huizenblok net voorbij de Nieuwbrug verdween om dezelfde reden.
De brug zelf was ondertussen al ontmanteld omdat ze geen functie meer had na het dempen van de Reep op die plaats in 1960. In 2007 kwam er een nieuwe brug die na de bouw van een sluis aan de Oude Beestenmarkt over de heropende Nederschelde (Reep) zal leiden. Eveneens midden de jaren zeventig viel de bebouwing tussen het begin van de Keizer Karelstraat en van de Frans Ackermanstraat geheel weg om plaats te maken voor een kantoorgebouw. Ook dat gebouw (nrs.2-16) vloekt door zijn grootschaligheid met de omgeving. Sinds 1979 worden de kantoren gebruikt door diensten van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
Door de aanleg van een nieuwe jachthaven (2005) tegelijk met de verlaging van de kaaien, de zeer recente heraanleg van het Veermanplein als groenplein, de bouw van de Bavobrug voor fietsers en voetgangers en de plaatsing van een terras met rustbanken in de vorm van een scheepsboeg tussen de Gebroeders Van Eyck- en de Slachthuisbrug (2007-2008), verschilt het uitzicht van de buurt bij de samenvloeiing van Schelde en Leie nu hemelsbreed van dat in de 19de eeuw. De beluiken zijn er allemaal verdwenen. Er rest nog één spoor ervan, zij het met de nodige (vooral recente) aanpassingen op de hoek van de Doornsteeg en de Pieter de Keyserestraat (waar de muurkapel hangt). De huisjes daar dateren in kern uit de 18de eeuw en hadden een toegang via de Mortierstraat. In 1936 werd het beluik volledig onbewoonbaar verklaard, maar toch waren er in 1975 nog twee huisjes in gebruik. Het smalle deurtje (nu nr.6) was vroeger de toegang tot het beluik. Ook van de bescheiden arbeiderswoningen blijven er maar weinig meer over.
Geraadpleegde bronnen en literatuur
Onuitgegeven bronnen
UBG, Handschriftenleeszaal, kadasterplannen Gent (1835)
SAG, Reeks K, nr.255: stamlijst bestemd om het eerste ‘werkmansboekje’ vast te stellen (aug.1871-nov.1871; 1reg.); nr.256: register van arbeiders aan wie een werkboekje werd uitgereikt (1888-1890); nr.257: register van arbeiders die werkboekje kregen uitgereikt (1891-1896); nr.258: inschrijvings-
Register ‘werkmansboekjes’ (1890-1892).
Uitgegeven bronnen
UBG, Kaartenzaal, nr.999: kaart van J.B. Saurel (1841); uitg. door Documentatiecentrum Dr. M. Geysselinck.
Verslag over het bestuur en den toestand der zaken van de stad Gent 1884 (bijvoegsel), Gent, 1885.
Apostelhuizen. Jeugdherinneringen van een tachtigjarige, in: Artevelde. Blad voor senioren, 1992-’93, 9 e.v.
Literatuur
J.J. STEYAERT, Volledige beschryving van Gent, of Geschiedkundige Beschouwing van deze stad en hare bewooners, de merkwaerdigste gebouwen, gestichten en maetschappijen, de beroemde Gentenaren enz., door J.J. Steyaert, Gent, 1857.
G.CELIS, Beschijving van Gent of geschiedkundige beschouwing van de stad en hare merkwaardige gebouwen, Gent, 1920.
G.CELIS, De Onze Lieve Vrouwekapellekens te Gent, 1924.
Bouwen door de eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit in België. Architectuur. Deel 4nb Stad Gent. Noord-Oost, 1979.
K.HAERENS, Oude straatnamen van Gent, 1982.
J. VAN DE WIELE, Bier en brouwerijen in het historische Gent, Gent, 1986.
R. DE BUCK, De Zakbroedersstraat (nu Apostelhuizen), in: Ghendtsche Tydinghen, 1998, 1, 33-34.
G. DESEIJN, Gids voor Oud Gent, Antwerpen/Rotterdam, 2001 (3de druk).
L.DEVRIESE, De grote beluikenconcentratie in de Gentse Overscheldewijk in de 18de en vroege 19de eeuw, in TIC, 2001, 3, dl.75 (cahier 19), 13-32.
R.MOREAU en L.DEVRIESE, De toestand van de Overscheldebeluiken rond 1850, in TIC, 2001, 3, dl.75 (cahier 19), 36-40.
D.LAPORTE en L.SNAUWAERT, Gids voor de architectuur in Gent, Gent, 2003.
L.CHARLES en M.-C. LALEMAN, Het Gent boek, 2006.
A.CAPITEYN, L.CHARLES, M.C.LALEMAN, Historische atlas van Gent. Een visie op verleden en toekomst, Amsterdam, 2007.
L.DEVRIESE, De Nieuwbrug. Splinternieuw en eeuwenoud. Deel 1 Alles “nieuw”, in: De Heraut, 2008, jg.43, nr.2, 3-11.